donderdag 26 januari 2012

Minnende strijd

 Maar zelf bleef hij achter, helemaal alleen, en er worstelde iemand met hem totdat de dag aanbrak. (Genesis 32: 25)


In de dagelijkse omgang tussen mensen maakt Jaspers (zie: eergisteren) een onderscheid tussen comuniceren op het niveau van alle dag (Dasein) en een vorm van communicatie waarin zoiets als Existenz openbreekt. Dat gaat niet zomaar. Dat gebeurt ook niet elke dag. Vaak is het er opeens, zo'n doorbraak in communicatie: uit onvrede over oppervlakkigheid, over gebrek aan aandacht, over de sleur. Of er is woede, verlating, rouw. Soms is er meer nodig dan koekjes bij de thee. Soms moet er echt gesproken worden. Dan staat het lijf op scherp en komt de taal van een laagje dieper.


Zulke momenten zijn schaars. We zoeken ze niet graag op. Het betekent ook dat je de energie moet hebben om de strijd aan te gaan. Nog meer dan dat: bij existentiele communicatie gaat het er niet om je gelijk te halen. Het gaat niet om winnen of verliezen. Je moet dus ook de kracht hebben om zwak te zijn; het vertrouwen dat je niet verloren gaat als je je masker aflegt, je zelfverzekerdheid laat varen.


Bij existentiele communicatie, zegt Jaspers, zit je op het puntje van je stoel en op het puntje van je ziel. Je bent bereid om tegenover de ander te staan - maar ongewapend. Je gaat de strijd aan, maar blijft zelf kwetsbaar. Er is geen voorbaat geen winnaar of verliezer - sterker nog - daar gaat het niet om.


Minnende strijd noemt Jaspers dit: het is het onontkoombaar gevecht om elkaar. In gelijkwaardigheid. In het zoeken naar de grond van het bestaan van jezelf en van de ander. In dat gevecht geef je, zonder slaaf te worden. Je vraagt zonder meester te worden. Er is geen verlangen naar overmacht of overwinning. Maar er is volledige openheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. Het is een strijd die tegelijkertijd liefde is.


uit: "GOD AAN', een vrijzinnig dagboek (Meinema)

0 reacties:

Een reactie plaatsen